Slangen (Serpentes)

Slangen (Serpentes) behoren tot de groep schubreptielen (Squamata), een ondersoort van de reptielen (Reptilia). Het zijn koudbloedige dieren, met een geschubde huid, die zonder ledematen (armen en benen) door het leven gaan. Ze bewegen zich voort op de buik en dat kunnen ze verrassend snel. Ze leven zowel op het land als in het water, vooral in de warmere streken op aarde. Slangen komen in diverse leefomgevingen voor: sommigen leven onder extreme omstandigheden in droge woestijnen, maar er zijn ook slangen die onder de grond leven of zelfs in de zee.

Dierenrijk

Er zijn meer dan 3000 beschreven soorten slangen. Deze worden tegenwoordig meestal onderverdeeld in 6 superfamilies en 20 families. Drie families zijn nog niet ondergebracht in een superfamilie.

De superfamilies zijn:

  • Acrochordoidea (o.a. wrattenslangen behoren tot deze superfamilie)
  • Uropeltoidea (o.a. pijpslangen behoren tot deze superfamilie)
  • Pythonoidea (o.a. pythons behoren tot deze superfamilie)
  • Booidea (o.a. boa’s behoren tot deze superfamilie)
  • Colubroidea (o.a. adders behoren tot deze superfamilie)
  • Typhlopoidea (o.a. wormslangen behoren tot deze superfamilie)

Kenmerken

Slangen zijn duidelijk herkenbaar met hun platte kop, lange lijf zonder ledematen en gladde huid met schubben. Toch zijn er binnen de groep nog veel verschillende families met ieder hun eigen kenmerken. Sommige slangen hebben bijvoorbeeld een felgekleurde huid, anderen hebben juist een schutkleur die hun camoufleert in de natuurlijke leefomgeving. Daarnaast zijn er veel variaties in grootte. Waar de een blijft steken op 15 centimeter, kunnen anderen wel 9 meter lang worden.

Wat slangen wel allemaal gemeen hebben is dat ze geen beweegbare oogleden hebben en ruiken met hun tong. Op deze vochtige tong blijven geurdeeltjes ‘plakken’. Zo verkennen ze de omgeving en kunnen ze een spoor volgen. De neusgaten van een slang zijn slechts bedoeld om te ademen.

De oren en ogen van slangen zijn minder goed ontwikkeld als bij bijvoorbeeld zoogdieren. Ze kunnen slechts een paar meter ver zien en dan alleen bewegende objecten. Daarnaast horen ze alleen laagfrequente geluiden vanwege het ontbreken van uitwendige oor openingen.

Net als bij de andere reptielen kunnen de schubben van de huid niet meegroeien met het dier. Bovendien slijten ze door bijvoorbeeld de voortbeweging op de buik. Daarom vervellen alle reptielen: de versleten of te kleine schubben maken plaats voor nieuwe. Bij de meeste reptielen gebeurt dit één voor één. De slang werpt echter in een keer zijn oude huid af. Ook het vlies over de ogen wordt hierbij vervangen. Veel slangen trekken zich in de kwetsbare periode vóór het vervellen dan ook noodgedwongen terug in holen of bomen. Jongere exemplaren vervellen vaker dan oudere omdat ze nog in de groei zijn.

Slangen

Slangen staan er om bekend dat ze dodelijk kunnen zijn voor mensen, maar slechts 15% van alle slangen is giftig. Sommige soorten hebben bovendien een gif die alleen dodelijk is voor bepaalde diersoorten. Het gif van de katslang is bijvoorbeeld wel giftig voor de gekko’s waar hij op jaagt, maar niet voor knaagdieren. Het gif is meestal niet eens bedoeld om te doden, maar om de slang te helpen bij het verteren van zijn prooi.

Slangen zijn erg lenig en bewegen verrassend snel voor dieren zonder ledematen. Dat doen ze met de puntige schubben aan de onderkant van de buik. Ze kronkelen met golvende bewegingen over de grond, waarbij de schubben zorgen voor grip. Afhankelijk van de soort en ondergrond kunnen deze als een soort lamellen opgericht worden. Daarnaast zijn slangen goede bomenklimmers. Ze kunnen zichzelf in lussen krullen, waarna ze de kop omhoog brengen en vervolgens de rest van het lijf omhoog hijsen.

Voedsel

Het voedsel van slangen varieert van kleine insecten tot grote prooien zoals zoogdieren. Ook eieren en vissen staan op het menu. Er zijn zelfs gevallen bekend van slangen die vruchten zoals een mango aten. Toch zijn slangen in principe allemaal carnivoor.

Slangen slikken hun prooi in één keer door. Dit kunnen ze doen dankzij de enorme elasticiteit van de schedel, huid en ribben. Ook de inwendige organen zijn aangepast aan deze vorm van voedsel tot zich nemen. Zo kan het hart meebewegen met het ingeslikte prooi, waardoor het niet beschadigd wordt.

Kleine prooien worden levend en wel doorgeslikt, de grotere slachtoffers worden eerst gedood door bijvoorbeeld verwurging of vergiftiging. Vóór de slang zijn prooi doorslikt, checkt deze eerst de groeirichting van de haren of veren, zodat deze niet vast komen te zitten, waardoor de slang kan stikken.

Slangen die hun prooi verwurgen, zoals boa’s en anaconda’s, bijten zich eerst vast in het lichaam van het slachtoffer, waarna ze zich om het lijf heen wikkelen. Bij iedere ademteug wikkelt de slang zich strakker om zijn prooi heen, waardoor deze uiteindelijk stikt.

Het gif van gifslangen zit in hun tanden. Ze bijten het slachtoffer hiermee, waarna het langzaam sterft. Het gif breekt eiwitten in de prooi al af, waardoor deze al begint te verteren voordat hij wordt opgegeten. Dit versnelt het verteringsproces aanzienlijk voor de slang.

Sommige slangen hebben zich gespecialiseerd in een bepaald soort prooi. Ze eten bijvoorbeeld alleen eieren (ovivoor) of hagedissen (saurivoor). De meeste slangen zijn echter niet zo kieskeurig en eten alles wat ze kunnen vangen. Daarbij kiezen ze soms enorme prooien uit. Van volwassen krokodillen tot jonge nijlpaarden: er zijn exemplaren bekend die deze prooien hebben verslagen en verslonden. Na zo’n grote prooi kan een slang weer lange tijd zonder voedsel, een nadeel is echter dat ze tijdens de verteringstijd (die wel 20 dagen kan duren) veel logger en zwaarder zijn dan normaal. Daarom kunnen sommige slangen hun prooi weer uitbraken als dat nodig is. Bijvoorbeeld om zich te verdedigen in geval van nood.

Voortplanting

Slangen leggen, net als alle andere reptielen, eieren na een inwendige bevruchting. Sommige soorten zijn echter eierlevendbarend: de eieren worden inwendig uitgebroed, waarna de jongen levend ter wereld komen.

De penis van het mannetje is in tweeën gedeeld. Dit wordt ook wel een hemipenis genoemd en komt ook voor bij hagedissen. Ondanks de lange staart kan het mannetje zo – via beide zijdes - toch bij de cloaca van het vrouwtje komen. De penis heeft daarnaast een soort kleine haakjes, waarmee de geslachtsorganen aan elkaar ‘gehecht’ worden. Dit vanwege het feit dat slangen geen ledematen hebben, waarmee ze elkaar tijdens de paring kunnen vasthouden.

De meeste slangen kennen geen broedzorg: na het leggen van de eieren in een warm nest, zit hun taak erop. Een uitzondering vormt de python. Deze wurgslang broedt haar eieren uit en verdedigt ze daarbij fel en agressief. Door met haar lichaam te rillen, stijgt de lichaamstemperatuur van de python. Dit is nodig tijdens het broeden, want slangen zijn koudbloedig en normaal gesproken niet warm genoeg om een ei uit te broeden. Slangen leven normaal gesproken alleen en zoeken elkaar alleen in de paringsperiode op.

Geschiedenis

Waarschijnlijk zijn slangen later ontstaan dan de andere groepen reptielen zoals krokodillen, schildpadden en de hagedissen. Slangen komen namelijk voort uit de groep hagedissen, die gedurende de evolutie hun ledematen zijn kwijtgeraakt. Vooral bij hazelwormen en skinken (beide hagedissoorten) is de verwantschap nog duidelijk te zien. Toch zijn er nog veel onduidelijkheden over de evolutie naar de lichaamsbouw van de moderne slangen.

De grootste fossiele slang ooit gevonden is een Titanoboa cerrejonensis, een boa soort die naar schatting zo’n 13 meter lang was. Deze reuzenslang leefde zo’n 60 miljoen jaar geleden in tropische omstandigheden in het huidige Colombia.

Adder

Er zijn verschillende soorten adders, die overal ter wereld voorkomen. Ook in Europa en een enkele soort zelfs in België en Nederland. Dat gifslangen niet altijd felgekleurd zijn, bewijst de in schutkleuren gehulde, maar uiterst giftige adder. Ze komen vaak voor op plaatsen waar ook veel mensen zijn en maken daarbij vooral in Azië en Afrika vaak dodelijke slachtoffers.

Adders zijn niet zulke actieve jagers. Geduldig wachten ze, beschermd door hun schutkleuren, tot een prooi dichtbij genoeg is. Daarna is één beet met hun krachtige gif genoeg om dodelijk te zijn.