Pinguïns

Ook al hebben ze wel vleugels, een pinguïn kan niet door de lucht vliegen. Ze behoren namelijk tot de orde van niet-vliegende zeevogels. Toch gebruiken ze hun vleugels wel, ze gebruiken deze ‘peddels’ namelijk om pijlsnel door het water te schieten om goed te kunnen jagen op vis, kreeftachtigen en inktvis. Ook op het land kunnen ze aardig uit de voeten. Aan land loopt de pinguïn rechtop, herkenbaar aan zijn typische ‘waggeltje’. Hier zoeken ze een plek om te broeden en een nieuw verenpak te krijgen. Meestal is dit leefgebied op en rond de zuidpool, hoewel er ook soorten zijn die noordelijker gaan, namelijk op de plekken waar de koudste stromingen richting de evenaar gaan.

Vliegen door het water

Mede door hun gestroomlijnde lichaam, het waterdichte verenpak en de vetlaag onder de huid die zowel voor isolatie als voor de stroomlijn zorgt, zijn ze kampioenen in het duiken en zwemmen. Met hun gestroomlijnde vorm lijken ze in het water op dolfijnen of walvissen, mede ook omdat ze in het water tijdens het jagen ook nog eens hun kop tussen de schouders intrekken om het geheel nog gestroomlijnder te maken. Aan de platte vleugels van de pinguïn kun je al zien dat ze niet bedoeld zijn om te vliegen. De vleugelbotten zijn aan elkaar gegroeid, waardoor de vleugels stevig en stijf worden. Het zijn dus meer vinnen die met een soort van vliegbeweging door het water gaan.

Het leefgebied van de pinguïn

De meeste pinguïns leven dus op of rondom de zuidpool, altijd in de buurt van de kust. Ondanks het koude klimaat hier heeft een pinguïn het niet snel koud. Door de dikke vetlaag vlak onder de huid kunnen ze zelfs soms oververhit raken. Hierdoor is pinguïn niet geschikt voor de warme wateren, daarnaast leven hier ook veel haaien en vissen voor wie de pinguïn een makkelijke prooi zou zijn.

Mensen hebben geprobeerd om het leefgebied van de pinguïns uit te breiden. Ze hebben verschillende soorten gevangen en uitgezet in het noorden van Noorwegen, maar deze experimenten zijn jammer genoeg mislukt. In verband met het broeikaseffect op de zuidpool hadden ze gehoopt hiermee voor de pinguïns een groter leefgebied te creëren en het ras voor uitsterven te behoeden.

Wat eet de pinguïn?

Aan de snavel van de pinguïn kun je al zien wat zijn favoriete voedsel is. De lange en tangvormige snavel van de konings- en keizerspinguïn is perfect om de snelle pijlinktvis te vangen. De korte en stompe snavel van de kleine soort is meer geschikt voor vis en krill. Met de stekels op zijn tong houdt de pinguïn zijn prooi vast. Een pinguïn kan echt veel eten, soms wel meer dan zijn eigen gewicht van gemiddeld vijf kilo. Daarentegen kunnen ze ook goed een tijdje zonder voedsel, bijvoorbeeld wanneer ze in de rui zijn en niet kunnen jagen.

Paren, broeden en het kuiken verzorgen

Aan het eind van de lente komen de pinguïns bij elkaar in de broedkolonies om te paren en daarna hun eieren hier te leggen. De meeste soorten pinguïns broeden één keer per jaar en brengen in de kolonie ook hun jongen groot. Meestal duurt dat bebroeden een paar weken, maar keizerspinguïns zijn er de hele winter mee bezig. Een pinguïn heeft een klein ei, maar wel een met een hele sterke schaal. Dat is ook nodig want er loert constant gevaar van eierdieven. De eieren moeten dus goed bewaakt worden, net zoals de kleine kuikens. De baby pinguïn is bedekt met fijne donsveertjes en de oogjes zitten nog dicht. Ze hebben met behulp van hun eitand, de scherpe en korte stekel aan de snavel, zelf de schaal open gehakt. Deze tand valt er na het openhakken uit. Zodra ze uit het ei zijn, hebben ze gelijk honger. De ene ouder pinguïn gaat dan op zoek naar voedsel en de ander houdt het kuiken warm. Na ongeveer 50 dagen verlaat het kuiken het nest.

Verschillende soorten pinguïns

Er zijn verschillende soorten pinguïns en sommige hebben ook nog eens meerdere namen. Dat maakt het soms wat verwarrend. Zo wordt de kinbandpinguïn ook wel baardpinguïn of ringbandpinguïn genoemd. Daarnaast heeft hij nog een wetenschappelijke naam, namelijk de pygoscelis Antarctica. Deze pinguïn heeft veel natuurlijk vijanden, namelijk de orka, robben en het zeeluipaard. De koningspinguïn is de kleurrijkste. Met zijn blauwe verenkleed, zijn gouden keelvlekken en roomkleurige borst in combinatie met het zwart van de rest van zijn lichaam heeft hij ook echt een koninklijke uitstraling. Staand is hij 90 cm lang. Toch is hij niet de grootste, dat is de keizerspinguïn, die is wel 110 cm lang en weegt 30 tot 40 kilo. Deze pinguïn kan wel 18 minuten onder water blijven. De kleinste soorten zijn de dwerg pinguïn en de witvleugel pinguïn. Ze zijn maar 35 cm lang en leven langs de kust van Nieuw-Zeeland en Australië. Ze wegen tussen de één en twee kilo.