Paarden

Paarden (Equus ferus caballus) zijn net zoals honden zogenoemde gedomesticeerde dieren. Van oorsprong zijn het wilde zoogdieren, maar na eeuwen van domesticatie wereldwijd, zijn inmiddels de meeste paarden volledig afhankelijk van de verzorging van mensen. Dat wil overigens niet zeggen dat er geen paarden meer in het wild leven. Deze zijn er nog steeds en worden in sommige gevallen zelfs bewust uitgezet in natuurgebieden voor natuurlijke begrazing. De ‘wilde’ paarden worden aangeduid met Equus ferus: Equus ferus caballus is dus een ondersoort van het wilde paard.

Paarden worden al eeuwen gebruikt als trek- of rijdier en inmiddels zijn er dan ook diverse soorten ontstaan die allemaal in meer of mindere mate zijn gefokt voor een specifiek doel. Je hebt boerenpaarden, rijpaarden, harddravers, karrepaarden, trekpaarden, werkpaarden, strijdrossen en pakpaarden.

Kenmerken paarden

Paarden behoren tot de groep onevenhoevigen (Perissodactyla). Per voet hebben ze één hoef, die eigenlijk de vergrote nagel van de middelvinger is. Overblijfselen van de oorspronkelijke vijf tenen die het paard had zijn de zwilwrat (duim), het spoortje (pink) en de griffelbeentjes (wijs- en ringvinger).

Er zijn grote variaties in grootte en kleur binnen de verschillende paardenrassen, maar de bouw van het paard is altijd gelijk. Paarden hebben ook allemaal manen en een lange staart van paardenhaar. Een volwassen paard weegt tussen de 380 en 1.000 kilo.

Veel paarden krijgen een extra beschrijving mee op basis van de kleur vacht. Een vos is een roodbruin paard (zonder zwarte manen), terwijl een schimmel door pigmentloze haren een witte of grijze (gevlekte) vacht krijgt. Deze is weer niet te verwarren met een crèmekleurig of wit paard.

Paarden zijn prooidieren en moeten dus altijd op hun hoede zijn. Mede daardoor hebben ze goede ogen ontwikkeld die een groot deel van de omgeving in één oogopslag kunnen overzien. De oren van paarden kunnen alle kanten opdraaien om zo geluid uit vrijwel alle richtingen op te vangen. Ze zijn bovendien snel en kunnen zich in een hoog tempo uit de voeten maken als dat nodig is.

Voedsel

Paarden zijn herbivoren. Ze grazen een groot deel van de dag en ook als ze door mensen verzorgd worden moeten ze veel kunnen foerageren (zoeken en vinden van eten). Gras, hooi, kuilgras, bieten en luzerne staan op het menu van een gedomesticeerd paard.

Voortplanting

Merries zijn van het vroege voorjaar tot in de herfst ongeveer om de 20 dagen een paar dagen vruchtbaar. Na de paring is zij 11 tot 12 maanden drachtig waarna ze over het algemeen één veulen krijgt. Tweelingen zijn zeldzaam bij paarden.

Omdat paarden oorspronkelijk op de open vlaktes leefden, is het belangrijk dat de veulens binnen een paar uur kunnen staan en lopen. Ook moeten ze snel kunnen drinken bij hun moeder. Het zijn zogenoemde nestvlieders. Na ongeveer een half jaar drinkt het veulen niet meer bij zijn moeder.