Hagedissen (Lacertillia)

Hagedissen zijn een ondersoort van de schubreptielen. Er zijn talloze soorten, die vrijwel overal ter wereld in uiteenlopende klimaten en leefomgevingen voorkomen. Aangezien het koudbloedige dieren zijn en de zon nodig hebben om zichzelf op te warmen, komen ze vaker voor in de warmere gebieden. In het hoge noorden en op Antarctica zal je geen hagedissen aantreffen.

Hagedissen leven vooral op de grond, tussen rotsen en in bomen maar er zijn ook soorten die kunnen zwemmen. Zo zijn er komodovaranen mijlenver uit de kust in zee gespot. De zeeleguaan brengt zelfs het grootste deel van zijn tijd in zee door. Dit is echter de enige hagedis die op deze manier leeft.

Dierenrijk

Bekende groepen binnen de hagedissen zijn:

  • Leguaanachtigen (Iguania)
  • Varaanachtigen (Platynota)
  • Gekko-achtigen (Gekkota)
  • Hazelwormachtigen (Diploglossa)
  • Skinkachtigen (Scincomorpha)

Geschiedenis

Hagedissen ontstonden in dezelfde periode als de dinosauriërs, maar echt goede fossielen dateren pas uit het Jura tijdperk, zo’n 150 tot 200 miljoen jaar geleden. Dat ze niet zijn uitgestorven door de meteorietinslag die een einde maakte aan het dinosaurusimperium, komt waarschijnlijk doordat ze als koudbloedige dieren weinig voedsel nodig hadden en als holenbewoners beter beschermd waren tegen straling van de meteoriet.

Vroeger werden hagedissen (Lacertillia) aangeduid met de Latijnse naam Sauria. Deze verzamelnaam wordt tegenwoordig alleen nog gebruikt voor een grote groep soorten die afstammen van twee gemeenschappelijke voorouders. Ook vogels en krokodillen vallen tegenwoordig onder de Sauria of sauriërs.

Kenmerken Hagedissen

Net als bij andere schubreptielen is de huid één van de meest opvallende kenmerken van de hagedissen. De huid bestaat uit schubben, sommige hagedissen hebben daarnaast osteodermen: versterkte beenplaatjes die de huid zijn pantserachtige uiterlijk geven.

Veel hagedissen hebben schutkleuren. Hierdoor zijn ze goed gecamoufleerd in hun natuurlijke leefomgeving. Zo zijn hagedissen die op de grond leven meestal bruin. Degenen in de bomen hebben juist een groene kleur.

Qua bouw lijken de meeste hagedissen op elkaar met een duidelijk herkenbare kop, poten aan de zijkant van het lichaam en een lange taps toelopende staart. De buik van de meeste hagedissen lijkt over de grond te schuiven. Maar er zijn uitzonderingen: de Transvaalse pootjesslang heeft meer weg van een slang dan een hagedis met zijn lange staart en korte pootjes. Hazelwormen hebben zelfs helemaal geen pootjes en worden daardoor ook vaak verward met slangen.

De grootte van hagedissen kan enorm variëren. De grootste en zwaarste hagedis is bijvoorbeeld de komodovaraan, die meer dan 3 meter lang kan worden. Deze reus onder de hagedissen weegt zo’n 150 kilo en werd in vroegere tijden ook wel aangezien voor draken. Dat is een heel verschil met de Antilliaanse kogelvingergekko die maar 1,6 centimeter groot wordt. Daarmee is deze mini-hagedis een van de kleinste dieren binnen de groep gewervelden.

Aantallen

Er zijn minstens 5500 hagedissoorten bekend. Sommige bronnen spreken al van ruim 6000 beschreven, moderne soorten. Gekko’s zijn een grote groep binnen de hagedissen, met 1400 soorten.

Voortplanting

Alle reptielen worden uit eieren geboren. Dat is bij hagedissen niet anders. Soms blijft het ei echter in de buik tot het uitkomt. Dit wordt eierlevendbarendheid genoemd en komt bij meerdere hagedissen voor.

De paring tussen mannetjes en vrouwtjes vindt plaats in de lente, waarna de eitjes de hele, warme zomer de tijd hebben om uit te komen. Ze worden ondiep begraven zodat ze niet opvallen voor roofdieren, maar wel profiteren van de warme zon.

Hagedissen hebben, net als slangen, een hemipenis. Dit betekent dat de penis van het mannetje in tweeën is gedeeld. Ondanks de lange staart kan het mannetje zo – via beide zijdes - toch bij de cloaca van het vrouwtje komen. Deze penis wordt alleen gebruikt voor de voortplanting en niet voor het lozen van urine, oftewel plassen.

Het hagendissenvrouwtje wordt inwendig bevrucht. Soms wordt het sperma opgeslagen, zodat het op een later en gunstiger tijdstip gebruikt kan worden voor de bevruchting. De meeste vrouwtjes zetten ieder jaar eitjes af in een nest. Of ze nou bevrucht zijn of niet. Meestal zijn dit tientallen per jaar, maar bij sommige soorten zijn één of twee eieren gebruikelijk.

Voedsel

De meeste hagedissen zijn snelle jagers die voornamelijk leven op insecten, geleedpotigen, wormen of slakken. De grotere soorten eten ook andere gewervelden zoals vogels en knaagdieren. Enkele soorten zijn giftig, zoals het gilamonster. Het gif wordt aangemaakt door klieren in de onderkaak. Zodra hij zijn prooi bijt, stroomt het gif in de wond.

De kameleon vangt zijn prooi met zijn lange uitrolbare tong die aan het uiteinde voorzien is van een kleverig kussentje waar het insect aan blijft hangen. Er zijn meer hagedissen die deze methode hanteren bij het jagen. Deze tong schiet razendsnel naar buiten en naar binnen en kan bijna net zo lang worden als de kameleon zelf.

Dankzij hun schutkleur vallen de meeste hagedissen niet op voor hun prooi. Enkele soorten wachten dan ook geduldig tot een prooi dichtbij genoeg is. Ze blijven onopgemerkt tot ze ineens bliksemsnel aanvallen.

Enkele hagedissen zijn planteneters. Zoals de eerder genoemde zeeleguaan die leeft van zeewier, of de chuckwalla die de hele dag bloemen, knoppen en bladeren bij elkaar scharrelt. Het komt ook voor dat hagedissen hun leven beginnen als carnivoor (vleeseter), maar in de aanloop naar volwassenheid een toenemend vegetarisch dieet aannemen.

Galapagoslandleguaan

Er zijn vele soorten leguanen en die leven in Noord- en Zuid-Amerika, Madagaskar en op enkele eilanden in de Grote Oceaan. Maar de Galapagoslandleguaan komt alleen voor op de Galapagoseilanden. Een eilandengroep die bekend staat om zijn unieke dieren en planten, die alleen op deze eilanden voorkomen.

Deze hagedissoort bereikt een lengte van ongeveer 120 centimeter en heeft een stekelige rugkam en een lange staart. Hij leeft voornamelijk op de droge en rotsachtige gebieden van de eilanden en eet daar cactussen en insecten.